ga naar homepagina

Drie Octoberstraat 11
2313 ZL Leiden
tel. 071 - 5131024
info@benvroom.nl

 

Usability

Usability & SEO advies
Expert review
Usability test

Boeken
Checklists
Artikelen

Verhalen

Foto's

Bio & Publicaties

Reisverhaal Oezbekistan

       
 

Plov, shashlik en lamscurrie

       
 

'Zorg jij vanavond voor het eten?', zei Liesbet voordat ze vanochtend vroeg de deur uitging om les te gaan geven.
Eerst maar een brood halen voor het ontbijt. Ik zal de bakkersvrouw moeten teleurstellen dat ik niet kom om dollars te wisselen, maar slechts voor een brood. Ze is fel, de bakkersvrouw. Ze dreigt me met haar ogen te verslinden als ik niet beloof dollars te wisselen, en vooral 's ochtends op de nuchtere maag zie ik daar niet erg naar uit. De lift werkt gelukkig, dat scheelt zeven keer twee trappen. Ik steek het grote middenterrein tussen de flats over, loop langs de man die onder een doek ligt te slapen naast een berg meloenen en sla af naar de bakker.

De man waarbij ik altijd dollars wissel, door ons 'de bakker' genoemd, staat achter een vitrine met worst, kaas en wodka. Hij blijft onverschillig voor zich uitkijken, tenzij ik me tot hem richt om te wisselen. Dan wordt hij joviaal, schudden we handen en schrijven we net zo lang getallen op een papiertje totdat we het eens zijn over de koers van de dag.
Voor de broodafdeling staat een lange rij met halverwege een agent. Zelfs de bakkersvrouw doet nu alsof ze me niet ziet binnenkomen. Zodra de agent de winkel uit is, wenkt ze mij naar voren, rekent ze een brood af en zegt ze met inhalige ogen: 'Yes, yes?'. 'Njet', zeg ik, 'zaftra', morgen. 'Zaftra, yes, yes?' 'Yes, zaftra.' Daar ga ik met mijn broodje van 17 soem, dat een maand geleden nog 12 kostte. Een brood dat in Nederland voor een halfje zou doorgaan, terwijl een gemiddeld loon hier dagelijks 100 soem oplevert.

Rond twaalven loop ik altijd graag naar de dichtstbijzijnde bazar om plov te eten en thee te drinken. Vandaag kan ik meteen even boodschappen doen. Tussen de flats lopen kleine weggetjes met grote loofbomen erlangs en wijnranken eroverheen. Het is er vrij stil en, zeker als de zon door het herfstachtige gebladerte prikt, erg lekker. Op de onbestemde terreintjes tussen de flats verbouwen mensen hier en daar hun eigen groenten, scharrelen kippen achter gaas en staan palen met golfplaat eroverheen waaronder opeens een groot feest wordt gegeven. Voortdurend sloffen prachtige Oezbeekse vrouwen voorbij (er zijn ook mannen, die meestal staan).

Buiten de flatwijk, op de openbare weg, stijgen op veel plaatsen rookpluimen op. Op iedere hoek van de straat wordt shaslik, stukjes schapenvlees op pinnen, geroosterd. Vaak ook zijn het geknede ballen schapengehakt, die voor de laatste bakbeurt in de goede vorm rond de pinnen worden gekneed. De vraag naar shaslik is enorm. Zoals wij in Nederland massaal patat en frikadellen eten, zo kauwt men hier tussendoor drie, zes of tien spietsen shaslik met bijbehorend plat rond brood weg.
Maar nog populairder dan shaslik is plov, het door alle Oezbeken geroemde 'nationale gerecht'. De vette gebakken rijst met wortelsliertjes en schapenvlees, wordt vaak naast de shaslik bereid. In een soort open oliedrums op poten, waarin een houtvuur brandt, hangt een grote diepe ronde pan, waarin de rijst wordt gebakken en vervolgens met de wortel en kruiden wordt gekookt. Plov wordt niet alleen overal op straat op kleine terrasjes gegeten, maar is ook binnenskamers een populair gerecht. De kans dat je, als je bij iemand te eten bent uitgenodigd, met trotse stem te horen krijgt: 'tonight we eat our national dish plov', is groot. Mensen vragen ook vaak, met hoop in de ogen: 'did you eat our national dish plov?' Plov is voedzaam (veel vet en koolhydraten), eiwitrijk (schapenvlees) en rijk aan vitaminen (wortel), kortom zeer goed eten.

Veel mensen die in Oezbekistan zijn geweest, denken met afschuw terug aan de vele plov en shaslik die ze hebben gegeten (steeds maar weer schapenvlees!), maar ik vind het ook vandaag weer heerlijk. Op het terrasje, temidden van een paar marktstraatjes, is het gezellig druk met etende mensen. Wat zal ik vandaag eens koken? Opnieuw stoofpot met aubergine, paprika en tomaat, of dit keer pompoen met wortel, afgemaakt met verse dille en koriander? Dan hebben we het wel zo'n beetje gehad. Misschien een keer vlees? Thuis hou ik zo van Indiase lamscurrie. Knoflook, uien, koriander, komijn, geelwortel, gemberpoeder en cayennepeper heb ik al in huis - dat zijn ook hier de meest gebruikte kruiden.
Maar hoe kom ik aan vlees? Rechts van me zitten een paar slagers in een overdekte ruimte bij elkaar, maar de lapjes vlees die ze in de open vensters hebben gehangen, maken mij niet enthousiast. Eerst maar wat groente halen op het straatje links van me. Hoewel ik hier al vaak geweest ben, geeft niemand enige blijk van herkenning. Alleen het bejaarde vrouwtje met de verse kruiden is blij me weer drie gezonde groene bosjes te kunnen overhandigen.
Ik heb er al moeite mee het gebouw van de slagers in te lopen, maar eenmaal binnen voel ik me geheel onthand. Vier slagers met lapjes vlees voor de neus en verder geen klanten, dat ziet er niet best uit. Het zijn geen gezellige jongens, die slagers, ze schreeuwen naar me en wijzen naar hun lapjes die daar weet ik hoelang hangen. Hoe kan ik hen duidelijk maken dat ik drie ons lamsvlees wil? Ik wil hier geen gemekker nadoen, ik wil hier alleen maar weg.

Thuis gekomen spijt het mij toch geen vlees te hebben gekocht. Ik zou Liesbet er zo graag weer eens mee verrassen. Gelukkig schieten de formulieren vandaag goed op en kan ik vanmiddag nog wel even weg, naar de Chorsu Bazar, de grootste van heel Tasjkent. Bij de bushalte op het grote verkeersplein om de hoek, probeer ik een lift te krijgen. Veel mensen verdienen hier wat bij door anderen mee te nemen die dezelfde kant op moeten. Het vergt soms wat onderhandelen, maar meestal ben je bij hen goedkoper uit dan bij een taxi.
Tien minuten later sta ik voor een ingang van de Chorsu Bazar, een groot terrein met talloze kraampjes, dat wordt gedomineerd door een enorme blauwe koepel die als een UFO op een stuk van de markt lijkt te zijn neergedaald. Op deze bazar wordt van alles verkocht. Eindeloos veel groente, fruit, noten, vlees, kaas, kruiden en andere etenswaar. Er zijn honderden kraampjes voor kleding, voor serviesgoed, voor drogisterij-artikelen. Er is een aparte afdeling voor tapijten en een keur aan plov&shaslik-terrasjes. Nog voor het betreden van het marktterrein blinken de gevilde schapen me tegemoet. Eenmaal binnen lijk ik alleen hele schapen te kunnen kopen. Plank na plank liggen ze daar naast elkaar in het zonnetje te glimmen. Als ik daar alleen nog maar weg wil vanwege de weeë geur die zij verspreiden, worden de stukken kleiner: halve schapen, borstkassen, poten. Geen lekker lapje te bekennen. Pas als ik de moed heb opgegeven, zie ik stukjes in de goede maat. Rode hoopjes, naast elkaar op vuile planken. Als ik de laatste plank nader denk ik: 'als ik hier niets koop, eten wij vanavond geen heerlijk geurende lamscurrie, gebakken in uitjes en knoflook.' Dat kan alleen als ik een van die hompjes aanwijs. Ze denken dat ik de hele plank wil hebben, maar ik wil alleen dat ene bloedrode lapje met been. Het ruikt vers. Ik betaal het gevraagde luttele bedrag en krijg het in de hand gestopt. Moet ik het zó meenemen? Zij wijzen op mijn linnen tas, maar ik kan het toch moeilijk in mijn trui stoppen die daarin zit? Gul scheuren ze een oud stukje pakpapier af dat al vele diensten heeft bewezen. Het kan er half omheen. Verderop zit een verkoopster van plastic tasjes, wijzen zij, en als ik haar met mijn rode hompje in de hand bereik, voel ik me weer opnieuw de wereldburger die uiteindelijk overal de weg vindt. De currie 's avonds is wat taai, maar we smullen er niet minder om.